Het weiland
‘Ja,’ had ze gezegd. ‘Ik weet wel een plekje.’
Ze zaten midden in het weiland, waar zomers de koeien overheen liepen, en gras aten. Het gras wat haar vader vroeger niet mocht maaien, omdat ze er anders geen verstoppertje in konden spelen. Dat gras wat nu zo ontzettend koud was omdat het had gevroren, maar hij zou haar warm houden. Hij wilde persé ergens heen waar niemand anders was, waar ze ongestoort dingen konden doen die niemand mocht zien, ruiken, of horen. De kans was klein dat midden in de nacht iemand over het weiland zou lopen. als er overdag ook niemand liep. ‘Hier is het veilig, niemand kan ons hier betrappen, op wat we ook maar zouden uitspoken’ had ze vol zekerheid gezegt. Hij wilde helemaal niks uitspoken, hij wilde gewoon met haar alleen zijn, maar als er wat zou gebeuren, wilde hij niet dat ze betrapt werden, helemaal niet tijdens hun eerste keer. Hij wilde gewoon met haar praten, zoals ze ’s middags ook wel eens deden, gewoon een goed gesprek.
Dit gesprek zou speciaal worden, dat wist hij van te voren al, het zou anders worden dan alle andere gesprekken die ze normaal altijd hadden. Ze hadden nu al zo’n 9 maanden iets, maar ze hadden nooit een diepzinnig gesprek met elkaar gevoerd. Vandaag zou dat gebeuren, vandaag zou hij voor het eerst in lange tijd een diepzinnig gesprek voeren met iemand waar hij zielsveel van houdt. ‘Ik hou van je’ had hij gezegt, meer wist hij niet te zeggen, wat hij voor haar voelde was niet in zinnen te omvatten, geen een woord zou precies zeggen wat hij voor haar voelt. Alles was te min. ‘Ik ook van jou, maar ik kan er de goede woorden niet voor verzinnen, ik hou niet alleen van je, ik doe veel meer, maar daar is geen betekenis voor geloof ik’ ze zei het alsof ze zich er voor schaamde. Hij drukte zachtjes de lippen op de hare, wat hij altijd deed, als hij niks meer te zeggen wist.